Il Grand' Inquisitor

Mathis der Maler in Parijs

Het is vijf jaar geleden dat ik Mathis der Maler voor de eerste keer zag en hoorde in Hamburg. De Parijse Opéra brengt met een nieuwe productie van Olivier Py Hindemiths opera in haar repertoire. Christoph Eschenbach was de dirigent.

illustratie

In de jaren 1930, in de periode dat hij Mathis der Maler componeerde, werd Hindemith verbannen door de nazi's omwille van zijn ontaarde muziek. Aangezien zijn opera tevens een afspiegeling was van zijn eigen situatie, is het haast een onmogelijke opdracht voor een regisseur om te weerstaan aan de drang om de opera naar die periode te verplaatsen. Olivier Py weerstaat niet en dus krijgen we een Wolfgang Capito als Gestapo-officier met zijn mannen als Duitse soldaten.

Wat echter vooral opvalt, is Olivier Py's beperkt arsenaal aan ideeën, dat hij schaamteloos recycleert van de Amsterdamse Roméo et Juliette. Zo zien we in Parijs ook Duitse schepers, mannen met engelenvleugels, lichten die recht de zaal inschijnen en het publiek verblinden, verwoeste gevels die ronddraaien of het gebruik van spiegels om licht de zaal in te reflecteren. Hij gebruikt zelfs een lint om Mathis en Regina met elkaar te verbinden. In dit geval ontspruit dit uit het libretto, aangezien Mathis dit lint oorspronkelijk van Ursula gekregen heeft als teken van haar liefde.

Wat zijn de kansen dat een of meerdere van deze elementen ook terugkeren in Les Huguenots in de Munt ?

Het grote verschil met de Amsterdamse productie is de kwaliteit van het scènebeeld. Het is weliswaar ook een donkere productie, maar hij had duidelijk een iets ruimer budget. Pierre-André Weitz heeft spectaculaire en luxueuze decors gebouwd, die in alle mogelijke richtingen bewegen.

Wat wel origineel is, is bijvoorbeeld de enscenering van Mathis' visioen. Daarvoor laat hij zich inspireren door het retabel van Mathis Grünewald, wat ook een van de bronnen was voor Hindemith. Minder origineel, maar wel heel mooi, was het slot. Mathis staat alleen op een lege en verduisterde scène met een spot op zich terwijl hij zijn herinneringen - van een schilderij tot het fameuze lint - een voor een door een luik in de vloer laat vallen.

Matthias Goerne zong de titelrol. En in die slotscène was hij ook op zijn best. Met gewoon mooi zingen komt een zanger al een heel eind in die scène... en dat kan Goerne als de beste. Maar als hij die mooie, ronde en donkere klank ook toepast op dramatischere momenten - ik denk dan bijvoorbeeld aan zijn deelname aan de boerenoorlog of zijn interventie om Gravin von Helfenstein te redden - dan overtuigt hij minder.

De rol van Ursula vraagt een dramatische sopraan. Melanie Diener doet het behoorlijk, maar ze heeft een paar belangrijke zwaktes. Als ze in de hoogte forte moet zingen, dan zet ze haar stem te veel onder druk en klink ze niet meer zuiver. Haar laagte projecteert ook niet al te best. Martina Welschenbach zong daarentegen wel een mooie Regina en liet onder andere een mooi zwevend piano horen.

Een van de redenen waarom deze opera weinig opgevoerd wordt, heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat er ook een handvol halve, zo niet hele, Heldentenors nodig zijn. Scott Mac Allister zong in Hamburg ook al Albrecht von Brandenburg. Zijn kardinaal klinkt nog altijd penetrant. Maar na zijn bekering wordt zijn stem zachter en kan hij zelfs ontroeren in zijn laatste dialoog met Mathis. Wolfgang Ablinger-Sperrhacke was een schitterende Wolfgang Capito. Vooral tijdens zijn gekonkelfoes tijdens de boekverbrandingsscène met Riedinger om Regina uit te huwelijken aan de kardinaal was hij fantastisch expressief. De warme en egale stem van Michael Weinius als Hans Schwalb vervolledigt het rijtje Heldentenors.

Publicatie: zondag 28 november 2010 @ 22:15
Rubriek: Opera