Il Grand' Inquisitor

Les contes d'Hoffmann in Luik

Dankzij een sterk staaltje van coördinatie kunnen operaliefhebbers zowel in de Vlaamse als de Waalse Opera genieten van de respectievelijke hernemingen van Offenbachs Les contes d'Hoffmann. Na de indrukwekkende Hoffmann in Antwerpen, is een vergelijking onvermijdelijk.

De enscenering van Claire Servais is zeker niet slecht. Maar in vergelijking met de vaart, de fantasie en het oog voor detail van McVicars productie valt het allemaal nogal mager uit. In het lelijke eenheidsdecor komt de opera maar moeilijk op dreef en de ingekorte proloog en epiloog (die nauwelijks vijf minuten duurt!) helpen de zaak ook niet echt. Het slot is in Luik wel mooier... de Muse zingt solo "Aux cendres de ton coeur", enkel begeleid door een cello, in een bijna volledig verduisterde zaal. Door die muziek gewoon te laten wegsterven, komt de opera wel tot een aangrijpend einde.

illustratie

Vocaal is de voorstelling geen hoogvlieger. Alleen Nicolas Cavallier schittert weer als de vier duivels. Hij is moeilijk te vergelijken met Philippe Rouillon, die een eerder rauwe bas-bariton heeft. Cavallier heeft het typische geoliede timbre van een bas en zijn vertolking leunt dan ook meer aan bij de gepolijste noblesse van een Méphistophélès. Dramatisch gezien is hij ook duidelijker de incarnatie van eenzelfde duivel; bij McVicar zijn het vier verschillende typetjes. Beide benaderingen - zowel op dramatisch als vocaal vlak - zijn perfect verdedigbaar en het is moeilijk te kiezen welke van de twee de voorkeur heeft.

De vier vrouwen zijn van middelmatig niveau. Yukiko Shimbo is aanvaardbaar als de pop Olympia, en aangezien ze minder acrobatentoeren moet uithalen dan haar Antwerpse zus, zingt ze over het algemeen ook juister. Nicoleta Ardelean (Antonia) heeft wel een mooie stem, maar ze projecteert slecht. Alexise Yerna zingt een vulgaire Giulietta, wat wel past in de enscenering van Claire Servais maar niet in de opera van Offenbach. De Muse van Delphine Haidan mist dan weer présence en waarom ze constant met een paar belachelijke vleugels moet rondlopen als een overjaarse Cupido is me ook niet helemaal duidelijk.

En tenslotte Hoffmann zelf. Het is een killer-rol en Jean-Pierre Furlan haalt meer op karakter dan iets anders het einde. Hij zingt vooral luid, zonder enige subtiliteit en niet altijd even juist. Hij kan er waarschijnlijk ook niets aan doen dat hij een lelijke stem heeft, maar als hij in de epiloog amper de vierde strofe van de Kleinzach-aria gezongen krijgt, is het duidelijk dat hij aan het einde van zijn krachten zit.

Publicatie: woensdag 12 november 2003 @ 19:48
Rubriek: Opera