Il Grand' Inquisitor

Simon Keenlyside in Schwarzenberg

Simon Keenlyside en Malcolm Martineau gaven op de Schubertiade een klassiek recital met de grote liedcomponisten - Schubert, Schumann en Wolf - op het programma.

Ze begonnen met Dichterliebe in een degelijke uitvoering zonder echt zwakke momenten. Een uitzondering was Ich grolle nicht waarbij Keenlyside zijn stem verrassend onder druk moest zetten om de hoge noten gezongen te krijgen. En als hij in Das ist ein Flöten und Geigen twee keer "das ist ein Klingen und Dröhnen" zingt, dan doet hij het de ene keer met een ijle kopstem en de tweede keer met veel dramatisch gewicht. Contrast is niet slecht, maar dit was overdreven.

Voor de rest waren er ook verschillende mooie momenten, zoals het mooie mezza voce einde van Am leuchtenden Sommermorgen als hij de "stem" van de bloemen nadoet. Aangrijpend was ook Ich hab' im Traum geweinet, niet in het minst door de alternering van Martineaus akkoorden die van dit lied een soort requiem voor de dichter maakte. Martineau liet zich ook opmerken met de plechtige begeleiding van Im Rhein, im heiligen Strome. Hij liet wel een vreemde expressieve stilte vallen op het einde van Die alten, bösen Lieder net voor hij aan zijn postlude moest beginnen.

Muzikaal was het dus een goede Dichterliebe, maar Keenlyside werkte wel op mijn zenuwen omdat hij weer eens geen blijf wist met zijn armen. Hij gaat van samengevouwen handen naar een hand op de piano naar een of twee handen aan zijn revers... en dat allemaal in cycli van twee seconden. Na verloop van tijd komt het neurotisch over.

Na de pauze stonden vooral Schubert-liederen op het programma. Om een of andere reden begonnen ze echter met vier Mörike-Lieder van Hugo Wolf, die meer een tussendoortje leken. Die vier liederen zijn nauwelijks genoeg om er voor te gaan zitten, tenzij het een uitzonderlijke uitvoering zou zijn. Dat was echter niet het geval. Voor Gesang Weylas is het timbre van zijn stem te donker en ontbreekt zijn uitvoering aan lichtheid. Heimweh en Auf eine Christblume II vloeien dan weer niet op een natuurlijke wijze en deden me soms eerder aan Kurt Weill denken dan aan Hugo Wolf. Ze hadden dit Wolf-groepje beter weggelaten.

Met Schubert was hij weer op vertrouwd terrein. De liederen hingen min of meer thematisch aan elkaar met zonne-, hemel- en nachtliederen. Het is me wel niet helemaal duidelijk waarom ze dan als eerste lied An Silvia brachten. De andere liederen waren een goede afwisseling van het bekende - Freiwilliges Versinken of het Ständchen uit Schwanengesang - en het minder bekende zoals Die Einsiedelei of Himmelsfunken. Eerder onbekend was Verklärung, waarvan Keenlyside de slotzin "O Grab, wo ist dein Seig, wo ist dein Pfeil, o Tod", als een Brahmsiaans oratoriumrecitatief liet klinken.

De enige smet in deze groep was een rampzalig gebrulde uitvoering van Auf der Bruck waarmee hij het officieel deel afsloot. Hij maakte nog een en ander goed met twee bisnummers. An die Geliebte was even verwaarloosbaar als zijn andere Wolfvertolkingen, maar Schuberts An den Mond in einer Herbstnacht was de perfecte afsluiter... voor we de echte maan konden gaan bewonderen boven de bergen van het Bregenzer Wald in een nacht die reeds aanvoelt als een herfstnacht...

Publicatie: dinsdag 1 september 2009 @ 15:59
Rubriek: Liedrecital