Il Grand' Inquisitor

Christian Gerhaher in de Munt

De bariton Christian Gerhaher gaf twee jaar geleden al een gesmaakt recital in deSingel en na een zwakkere doortocht in het PSK begin dit jaar, maakte hij gisteren zijn Muntdebuut met een liedrecital samen met Gerold Huber. Het werd een grotendeels Duits programma waarin hij zichzelf overtrof.

illustratie

Het recital begon en eindigde met een liedcyclus, al waren het twee liedcycli die niet echt tot mijn favorieten behoren. Beethovens An die ferne Geliebte is altijd wel leuk om te horen, maar het komt vaak nogal oppervlakkig en gekunsteld over. Maar wat Gerhaher er gisteren van maakte was grote kunst. Vanaf de eerste strofe was de melancholie en Sehnsucht tastbaar. Zijn tekstexpressie, zijn kleine pauzetjes links en rechts en zijn glasheldere uitspraak zijn maar enkele elementen die zijn vertolking naar grote hoogtes stuwden. Als hij in Wo die Berge so blau aarzelend een aantal keren "möchte ich sein" herhaalt, is hij ontroerend in elke lettergreep.

Vlak voor de pauze keerde hij nog even terug naar Beethoven met Adelaide. Het is een lied dat in mijn geheugen gegraveerd is door de onsterfelijke vertolking van Fritz Wunderlich. Het is moeilijk om met Wunderlich te concurreren... maar in het geval van Gerhaher wordt het een écht Lied met een breed emotioneel spectrum. Net daarvoor had hij vier Mozartliederen gezongen. Na zijn uitvoering van het eerste lied, Abendempfindung, was ik volledig van de kaart en herinner me zelfs niet meer hoe hij de drie andere liederen gezongen heeft.

Als contrast tussen de Beethovencycli en de Mozartliederen plaatste hij het Opus 4, Vier liederen op Chinese gedichten, van de Tsjechische componist Pavel Haas, die deze liederen in Theresienstadt schreef. Ik vond ze niet bijster inspirerend. In het programmaboekje stond wel een korte omschrijving van de inhoud van elk lied, maar ik hoorde meestal weinig verband tussen die omschrijving en de muziek.

Na de pauze stond er een groot Mahlerblok op het programma, een selectie Wunderhorn-Lieder gevolgd door de Kindertotenlieder. Het had logischer geleken om de volgorde om te draaien zodat op een iets positievere noot kon geëindigd worden. Maar het is praktisch onmogelijk om nog iets te zingen ná de Kindertotenlieder. Desalniettemin bouwde Gerhaher dit tweede deel van het recital logisch op. Na lichtere liederen als Frühlingsmorgen en Ablösung im Sommer en via de ballade Rheinlegendchen kwam hij uit bij Phantasie. Dit lied kan misschien wel ironisch gezongen worden, maar Gerhaher neemt de "Liebesnot" van dit lied heel ernstig en letterlijk, waardoor de perfecte sfeer gecreëerd was voor Kindertotenlieder. Het feit dat niemand de nood voelde om na het Wunderhorn-blok te applaudisseren, is een aanduiding van hoe het publiek mee was met zijn intense en meeslepende vertolking...

Na zijn Kindertotenlieder was alles gezegd wat er te zeggen viel. Uiteindelijk kwam er toch nog een bisnummer... Urlicht, een van de weinige liederen die niet uit de toon vallen na Mahlers meest donkere liedcyclus. Een uitstekende afsluiter voor een grote "Liederabend".

Publicatie: maandag 27 oktober 2008 @ 19:37
Rubriek: Liedrecital