Il Grand' Inquisitor

Pelléas et Mélisande in de Munt

De Munt begint haar seizoen met een gloednieuwe productie van Pelléas et Mélisande. Ze zijn daarvoor gaan aankloppen in Amsterdam bij Pierre Audi om de regie te doen... het is een fascinerend werkstuk geworden.

illustratie

Van Pierre Audi kan je een uitgepuurde en esthetische enscenering verwachten. Dat was nu ook het geval, in de eerste plaats door het unieke eenheidsdecor. Anish Kapoor heeft een object ontworpen als "decor". Dit ruimtevullend object kan nog best omschreven worden als een halve omgevallen vaas. Aan de bolle kant van de "vaas" is een metalen trap met loopbrug voorzien. Dit alles staat op een draaiplatform wat, samen met de uitstekende belichting, voor een constant wijzigend scènebeeld zorgt. Enkel in de scènes na de pauze valt de beweging stil en wordt er niet meer geroteerd tijdens de scènes.

Pierre Audi neemt een aantal vrijheden met het libretto, die meestal toch blijken te werken, of op zijn minst aan het denken zetten. Om te beginnen blijft er - op visueel vlak - niets over van al de verwijzingen naar water. Mélisande is ook kaal... haar lange haar komt volgens Audi enkel voor in Pelléas' fantasie. Dat lijkt dan een probleem te gaan worden voor de torenscène. Maar dit wordt dan opgelost door haar jurk naar beneden te gooien waarin Pelléas zich kan wentelen. Nadat Golaud hem zo betrapt, gebruikt hij die jurk om Pelléas te blinddoeken. Dit maakt de daaropvolgende kelderscène nog beangstigender dan gewoonlijk.

Die bewuste scène vond ik trouwens een van de meest sterke scènes van de hele voorstelling. Ze staan beiden boven op de loopbrug waar Golaud Pelléas waarschuwt dat hij voorzichtig moet zijn zodat hij niet valt. Golaud haalt een looplamp boven en laat die naar beneden zakken waardoor we, onder de "vaas", een aantal vrouwen zien. Dit kan zowel een blik zijn in Golauds onderbewustzijn als in zijn verleden. In alle geval is de verwijzing naar Blauwbaard niet ver te zoeken. Dat verband is al vaker gelegd... denk maar aan de enscenering van Richard Jones, een aantal jaren geleden in de Vlaamse Opera. Zelfs Irène Joachim, de Mélisande op de historische opname met Desormière, heeft het er al over. Maar in die gevallen wordt telkens verondersteld dat Mélisande ontsnapt is aan Blauwbaard, terwijl Audi hier suggereert dat Golaud zelf (een soort) Blauwbaard is. Het is op zijn minst een interessant idee om over na te denken.

Golaud wordt afgeschilderd als een gekwelde man, die zo achterdochtig is dat hij al het mogelijke doet om Mélisande en Pelléas te betrappen. Hij is dan ook in bijna alle scènes ergens aanwezig. Zo onstaat een flagrante inbreuk op het libretto tijdens de eerste bronscène van Pelléas en Mélisande. Golaud ligt boven in de hals van de vaas en kijkt neer op hun spel. Strikt genomen kan dit niet... want op het moment dat Mélisande haar ring in het water laat vallen, wordt Golaud verondersteld om van zijn paard te vallen, zoals zou moeten blijken uit de volgende scène. Maar dit "probleem" lost Audi op door de korte monoloog van Golaud nadien te laten lijken alsof hij terugdenkt aan toen hij in het bos zijn paard kwijt geraakte en nadien Mélisande ontmoette.

Dat idee van de flashback begint trouwens al in het begin van de voorstelling. Die begint in volslagen duisternis, ook de orkestbak is donker. Plots horen we het gefluister van de dienstmeiden die aan hun dagtaak beginnen om het "feest" voor te bereiden. Pierre Audi grijpt hiermee terug naar de openingsscène van Maeterlincks origineel, dat Debussy geschrapt heeft. Het contrast met wat volgt, is dan ook opvallend; veel valt er niet te feesten. Halvelings verwachtte ik dat ze voor het laatste bedrijf de scène terug zouden ophalen met de dienstmeiden die vertellen hoe ze de gewonde Mélisande aan de poort vonden. Dat had zelfs ook perfect gekund, aangezien het de enige scènewisseling is waarvoor een korte pauze ingelast moest worden.

Ex-Pelléas Dietrich Henschel zingt in deze productie zijn eerste Golaud. Er zijn wel meer zangers die promoveren van Pelléas naar Golaud. Ik denk bijvoorbeeld aan François Leroux en het is maar een kwestie van tijd vooraleer Simon Keenlyside zich aan Golaud gaat wagen. A priori had ik zo mijn bedenkingen bij Henschel als Golaud. Hij beschikt weliswaar over een breed scala aan expressiemogelijkheden, maar hij is geen basbariton zoals José Van Dam of Laurent Naouri (om maar even de twee belangrijkste Golauds van de laatste twintig jaar te noemen). Dat maakt dat hij nooit echt zijn autoriteit op vocaal vlak kan afdwingen. Het gekwelde dat Audi in het personage gestoken heeft, is hem dan ook op het lijf geschreven. Maar dat neemt niet weg dat hij te vaak theatraal overdrijft door overdreven dramatisch of kwaad te kijken met een verwrongen gezicht. Zijn Frans vond ik behoorlijk goed verstaanbaar, maar het klinkt soms wat verkapt en niet echt naturel. Maar dat ligt waarschijnlijk vooral aan hoe Henschel zingt. Als hij in zijn moedertaal Duits zingt, dan klinkt hij ook zo met doorwrochte fraseringen. Ondanks mijn voorafgaande bedenkingen, vond ik hem toch kunnen overtuigen als Golaud.

Sandrine Piau zong met haar fragiele stem een meisjesachtige Mélisande. Ik vind dat ze daardoor minder zelfzeker en minder beredeneerd overkomt. Maar Mélisande kan uiteraard als een naïef wicht uitgebeeld worden... alhoewel dat haar minder interessant en minder mysterieus maakt. Er is daarentegen absoluut niets raadselachtigs aan Pelléas. Zelfs de veel kleinere rollen van Geneviève (mooi gezongen door Marie-Nicole Lemieux) en Arkel (de nog altijd indrukwekkende Alain Vernhes) hebben meer inhoud. Stéphane Degout is quasi-ideaal voor Pelléas, als je tenminste een bariton verkiest voor deze rol. Persoonlijk, hoor ik liever een tenorachtige Pelléas...

Na al de perikelen met het orkest en de net-niet-tot-muziekdirecteur-benoemde Mark Wigglesworth was het uitkijken naar wat er zou gebeuren en of het orkest de voorstelling weer zou saboteren of niet. Als je tijdens de voorstelling in de orkestbak kijkt, dan zie je weinig vreugdevolle gezichten. Het lijkt erop alsof ze tot een vergelijk gekomen zijn om zich als volwassen mensen te gedragen en de voorziene voorstellingen zonder veel gedoe af te werken. Maar veel vonken of inleving voelde ik niet. Maar desalniettemin vond ik het resultaat helemaal niet slecht. Het orkest speelde met de nodige nuances en verschillende details gingen niet verloren in een dikke orkestklank. De uitvoering zweefde zo ergens tussen impressionisme en expressionisme. Het eerste vooral voor de intieme scènes, het tweede voor de meer dramatische.

Publicatie: vrijdag 12 september 2008 @ 19:08
Rubriek: Opera