Il Grand' Inquisitor

Joseph Calleja in Namen

Op operavlak is het bekendste Maltese exportproduct ongetwijfeld de jonge tenor Joseph Calleja. In het kader van europalia.europa gaf hij gisteren een recital in de mooie zaal van het Thť‚tre Royal de Namur. Hij werd daarbij op de piano begeleid door Daniel Blumenthal. Op het programma stonden tien uiteenlopende opera-aria's, rustpauzes werden gecreŽerd door een pianofantasie van Mozart en een nocturne van Chopin.

De laatste keer dat ik Joseph Calleja gehoord heb was in Rigoletto in Amsterdam. In vergelijking met toen is zijn stem een donkerder geworden met veel baritonale ondertonen. Hij heeft wel nog altijd een heerlijk ouderwetse klank, dankzij zijn snel maar toch verfijnd vibrato en stijlvol gebruik van portamenti.

Nu, die stijl komt vooral tot zijn recht in het Italiaans-romantisch repertoire. Hij opende echter het recital in dezelfde stijl met Handel en Gluck. Ombrai mai fu is weliswaar een aria die door zowat elk stemtype ooit wel eens gezongen werd, bij Calleja klinkt het als Verdi. Ik begrijp ook niet waarom tenors onbedingd Tamino willen zingen, terwijl er zoveel repertoire bestaat dat beter bij hun stem past. Net zoals Juan Diego Flůrez waagt ook Calleja zich aan de Bildnis-aria. Zijn Duits is weliswaar redelijk goed, maar de Mozartstijl is ver te zoeken. Maar het is het Italiaanse repertoire waarvoor hij geboren is. Nemorino's Una furtiva lagrima was quasi perfect, zowel in zijn frasering als in zijn expressie.

Net zoals in Amsterdam, en ook blijkens live-opnames die ik sindsdien gehoord heb, is zijn hoogte nog altijd een probleemgebied. Hij benadert alle hoge noten nogal voorzichtig. In Che faro senza Euridice had ik zelfs het gevoel dat hij net iets te laag uitkwam. Het is niet dat hij die noten niet heeft. Ze klinken zelfs mooi geÔntegreerd in de rest van zijn stem. Maar het lijkt alsof hij niet durft door te zingen. Dat neemt niet weg dat hij de Bloemenaria van Don Josť toch eindigt met een indrukwekkende diminuendo op die hoge si-bemol.

Maar als hij aan de bisnummers komt, dan valt er precies een last weg. De drie bisnummers waren typische tenorfavorieten zoals Granada, Non ti scordar di me en Because. Calleja's stem bloeit helemaal open, die hoge noten lijken geen probleem meer te zijn, het baritonale is grotendeels weg en nu klinkt hij pas echt als een eersterangstenor. Die drie bisnummers alleen waren de verplaatsing naar Namen waard. Het is was alleen spijtig dat de zaal niet helemaal vol zat... misschien dat Europalia toch wat meer reclame had moeten maken.

Publicatie: donderdag 29 november 2007 @ 18:39
Rubriek: Concert