Il Grand' Inquisitor

La cifra in Keulen

Sinds Poesjkin, maar vooral "dankzij" de film Amadeus, zijn Mozart en Salieri onlosmakelijk met elkaar verbonden. Daarom dat de Keulse opera en dirigent Martin Haselböck gekozen hebben om, tijdens dit Mozartjaar, een opera van Salieri te brengen. La cifra is een dramma giocoso... zowaar op een libretto van Lorenzo da Ponte.

Van dat libretto bleef in Keulen amper de helft over, aangezien de regisseur Christian Stückl en zijn dramaturgen het blijkbaar nodig vonden om alle recitatieven te vervangen door, niet altijd even fijnzinnige, Duitse dialogen. Die afwisseling van Duits en Italiaans breekt het ritme van de voorstelling en verstoort de opera. Maar de aangepaste teksten waren waarschijnlijk nodig om de opera beter te laten passen bij het concept van de regisseur... het omgekeerde was vermoedelijk geen optie.

illustratie

De opera gaat over Rusticone, de burgemeester van het dorp, en zijn twee dochters Lisotta en Eurilla. Eurilla is echter niet zijn echte dochter, maar werd om een of andere reden door de graaf van Clerval bij hem achtergelaten. Rusticone heeft haar zoals zijn eigen dochter opgevoed. Op een dag verschijnt ene Milord die op zoek is naar Olimpia (de echte naam van Eurilla). Uiteindelijk komt alles goed en kan Eurilla/Olimpia terug haar rol van gravin opnemen. Het klinkt allemaal nogal Assepoesterachtig. Nu, in de Keulse versie is Rusticone de baas van het verloederde Palace Hotel, waar de hele intrige zich afspeelt in het zwembad van dat hotel...

Het is spijtig dat - voor een keer dat een Salieri-opera opgevoerd wordt - we slechts een verminkte versie te horen krijgen. De muziek van Salieri is best wel goed en er zitten een paar mooie en originele aria's in deze opera... vooral voor de twee dochters van Rusticone. Eurilla, gezongen door Ausrine Stundyte, heeft bijvoorbeeld een prachtig rondo "Solo e mesta fra tormenti" op het einde van de opera. In het begin van de opera klinkt ze nog wat onzeker, maar tegen het tweede bedrijf is ze opgewarmd. Regina Richter heeft meer metaal in haar stem, wat goed blijkt te passen bij de rol van de hooghartige Lisotta. Haar "Non vo' già che vi suonino" is zowat de meest originele aria van de opera, omwille van de verschillende instrumentengroepen die afwisselend voorgesteld worden.

De bas Andreas Hörl doet verwoede pogingen om toch iets te maken van Rusticone, ondanks de absurde ideeën die de regisseur voor hem in petto heeft. Hij onderbreekt bijvoorbeeld af en toe de ouverture om, vanuit zijn jacuzzi, overvliegende eenden uit de lucht te schieten. En het veelvuldig rondjes lopen rond de orkestbak op zijn badsloffen doet ook geen goed aan zijn stem. Soms vindt Adreas Hörl wel even rust om een aria degelijk te zingen... maar al te vaak is het allemaal wat kleurloos. Hauke Möller zingt een Milord met een onaangename en genepen tenor. Zijn volgeling Leandro, gezongen door Andrés Felipe Orozco-Martinez, klinkt veel verfijnder. Maar bij de mannen is het vooral Leandro Fischetti, die de rol van Lisotta's verloofde Sandrino zingt, die vocaal nog het best uit de strijd komt.

Publicatie: zondag 4 juni 2006 @ 9:07
Rubriek: Opera