Il Grand' Inquisitor

Dmitri Hvorostovsky in De Munt

Het recital van bariton Dmitri Hvorostovsky en de pianist Ivary Ilja in de Munt begon niet helemaal zoals verwacht. Tijdens het eerste deel van de avond zouden ze liederen van Tchaikovsky en Mussorgsky brengen, maar dat werd op het laatste moment gewijzigd.

In de plaats kregen we de Michelangelo-sonetten van Shostakovitch (Opus 145). Het klonk op zijn minst interessant, maar ik vermoed dat er weinig mensen in het publiek zaten die vertrouwd waren met deze 11 liederen. Het zijn in allegeval niet het soort liederen dat je graag zonder voorbereiding als een koude douche over je heen gestort krijgt. Het leek allemaal wel geëngageerd gebracht te worden, maar het zou interessanter geweest zijn als ik tenminste geweten zou hebben waarover het ging.

Na de pauze stond er, om te beginnen, Duparc op het programma. Een Russische bariton die Duparc zingt, is effectief zo onwaarschijnlijk als het klinkt. Zijn Frans klinkt alsof hij op een tennisbal staat te kauwen. Hij zong Soupir op dezelfde manier als de Phidylé die hij ervoor zong... inclusief een brede glimlach. Voor Phidylé kan ik dat nog begrijpen, alhoewel er niet veel arcadische sfeerschepping waar te nemen viel... maar voor Soupir is dat wel enigszins ongepast. De ballade Le manoir de Rosemonde was zo goed als onverstaanbaar. Extase was nog redelijk goed, omdat hij daar vooral op zijn oneindig legato en onwaarschijnlijke ademcontrole kon rekenen. Maar de details van de nachtmerrie La vague et la cloche waren ook niet aan hem besteed.

De laatste groep liederen was wel fantastisch. Dat waren zes liederen van Rakhmaninov en daarin voelde hij zich duidelijk thuis. De liederen hingen ook thematisch aan elkaar rondom een eenzame, verlaten ziel. De inleving en de grote boog was nu wel duidelijk.

Voor de bisnummers schakelde hij over op wat Italiaanse liedjes, zoals Parlami d'amore, Mariù en het Credo van Iago...

Publicatie: maandag 27 maart 2006 @ 22:13
Rubriek: Liedrecital