Il Grand' Inquisitor

Orlando paladino in Gelsenkirchen

Met zijn 100+ symfonieën en tientallen strijkkwartetten zou je bijna vergeten dat Haydn ook meer dan twintig opera's gecomponeerd heeft... die relatief weinig opgevoerd worden. In het "Musiktheater im Revier" proberen ze daar iets aan te doen met Orlando paladino.

illustratie
Orlando (foto © Monika und Karl Forster)

Haydns opera dateert van 1782 - het jaar van Mozarts Entführung - en grijpt uiteraard terug naar Ariosto's "Orlando furioso". Orlando, Alcina, Angelica of Medoro kennen we ook van de opera's van Handel of Vivaldi. Haydn maakte er een "dramma eroicomico" van met de klassieke afwisseling tussen de serieuze rollen van onder andere Orlando, Angelica en Medoro enerzijds, en de komische rollen van Eurilla en Pasquale anderzijds.

In Gelsenkirchen brengen ze de productie van Jetske Mijnssen, die vier jaar geleden in Zürich te zien was. De talloze scenewisselingen van Orlando paladino lost ze op door alles te verplaatsen naar een café, waar het herderinnetje Eurilla achter de bar staat, Angelica en Medoro hun liefdesperikelen uitvechten, Alcina aan een tafeltje koffie slurpt, Caronte de kuisman van dienst is en de paladijn Orlando aangekondigd wordt als een popster die daar 's avonds zal optreden, met zijn schilknaap Pasquale als roadie.

Mijnssen zorgt ook voor wat humor... zo zien we na de pauze een volledig gespiegeld café, weliswaar niet zo spectaculair als bij de Joosten-Cosi. In het tweede bedrijf voegt ze ook dubbels toe, Eurilla krijgt er zelfs drie. Volgens het programmaboekje om hen zo te confronteren met hun eigen verlangens. Bij de twee waanzinscènes van Orlando heeft dat zin. In de liefdesscène tussen Eurilla en Pasquale zorgt dat voor een komische noot. In het geval van Angelica en Medoro - een toekomstvisie met twee baby's - is dat eerder overbodig. Hoe dan ook, het is geen grote productie, maar ze loopt ook niet in de weg van de muziek.

illustratie
Angelica (foto © Monika und Karl Forster)

Deze productie biedt de gelegenheid aan jonge zangers om op het voorplan te treden. Twee zangers van de NRW-Opernstudio springen eruit. In de eerste plaats de Griekse Penny Sofroniadou in de rol van Angelica. Ze heeft een karaktervolle sopraan met een mooie hoogte en goede coloratuurmogelijkheden. Ik kan me haar zo voorstellen in de grote Mozartrollen als Contessa of Fiordiligi. De Spaanse bas Gerard Farreras zingt het kleine rolletje van Caronte en geeft een nobele vertolking van "Ombre insepolte".

Pasquale lijkt een voorloper te zijn van Leporello. Hij heeft zelfs twee cataloogaria's: één over de landen die hij bezocht heeft (maar hij heeft vooral honger) en één over zijn muzikale superioriteit (inclusief een falsetto moment als hij een castraat nadoet). De tenor Tobias Glagau steelt met deze twee aria's de show, al is hij soms wat slordig in de uitvoering. Eurilla is een typische soubretterol, gezongen door Dongmin Lee. Ze komt traag op gang tot ze haar stem deftig de zaal in projecteert. Lina Hoffmann zong Alcina met een aangename mezzo.

De titelrol was weggelegd voor Martin Homrich, een ensemblelid dat ik eerder in Königskinder gehoord heb. Hij zingt Orlando met een robuuste tenor en een mooie baritonale fundering. Het was vooral tijdens zijn waanzinscènes dat ik tijdens deze voorstelling op het puntje van mijn stoel ging zitten. Maar zijn introspectieve aria van het laatste bedrijf was even ontroerend.

Publicatie: zaterdag 8 februari 2020 @ 9:57
Rubriek: Opera