Il Grand' Inquisitor

Andrè Schuen - Wanderer

Een paar maanden geleden dacht ik nog dat de recente CD van Carolyn Sampson dé Schubert-opname van het jaar zou worden... en dan verschijnt Wanderer met bariton Andrè Schuen en pianist Daniel Heide. Het is een overdonderend mooie CD, niet in het minst omwille van de intelligente opbouw.

illustratieMet Schubert en de Wanderer kan je natuurlijk veel kanten uit. Een paar jaar geleden heeft bijvoorbeeld ook Roderick Williams een opname gemaakt met dezelfde titel. Maar het speciale aan deze opname is dat Andrè Schuen en Daniel Heide liederen hebben samengebracht die dramaturgisch goed samenwerken en een opeenvolging van mini-liedycli vormen.

De CD begint uiteraard met Der Wanderer van Lübeck. Puur interpretatief en vocaal is er veel te bewonderen. Schuen speelt met dynamiek, vanaf forte tot hij pianissimo als een echo de vraag stelt "immer wo". Met smachtende Sehnsucht-klanken komt hij uit bij "... dort ist das Glück". Het is altijd de verrassing of de zanger voor de lage of de hoge optie gaat kiezen. De hoge optie suggereert een sprankje hoop. Schuen kiest echter voor de lage optie: de manier waarop hij het inkleurt, laat er geen twijfel over bestaan dat het geluk onbereikbaar zal zijn. Als contrast volgt daarop het opgewektere Der Wanderer an den Mond. Maar gezien de voorgaande keuze onstaat een effect zoals in Das Wirtshaus uit Winterreise: een Wanderer die zich moeizaam voortsleept en toch plotseling wat extra energie vindt om zijn weg verder te zetten.

Twee Mayrhofer-liederen vormen ook een geheel. Na het vrij traag uitgevoerde Fahrt zum Hades volgt het onstuimige Der Schiffer, alsof het dezelfde schipper is die de rivier der vergetelheid probeert te bedwingen. Heide kan zich uitleven in de evocatie van de beukende golven op het bootje. Het traag-snel-contrast is een efficiënte manier om de aandacht vast te houden. Zo volgt na het lange en trage strofische Des Fischers Liebesglück een levendige Der Musensohn, misschien wel de meest positieve Wanderer van deze CD.

Het hoogtepunt is een groepje van vijf liederen dat begint met Totengräbers Heimweh. Schuen drukt perfect de Todessehnsucht uit, terwijl Heide een doodsklokje in zijn piano vindt. Vanaf "O Heimat des Friedens" schakelt Schuen over naar een etherische voix mixte waarmee de grafdelver op weg gaat naar een andere wereld, met "Ich sinke" glijdt hij zachtjes verder weg. Met de hemelse arpeggio-akkoorden van Im Abendrot krijgen we een soort "Abschied von der Erde". Het afscheid zet zich verder in een visionaire Abendstern, waarbij Schuen een tedere, troostende kleur vindt voor de tekst van de avondster. Met "Wie deutlich des Mondes Licht zu mir spricht" (de Schlegel-Wanderer) is het einde in zicht. De stem van de maan krijgt iets meer resonantie, klinkt iets hooghartiger ook. Het slot, "... doch alleine", is het perfecte bruggetje naar Im Frühling. Hier geen quasi-vrolijk dansdeuntje, maar een intrieste piano-inleiding. Ik krijg niet vaak een krop in mijn keel bij het beluisteren van een CD, maar dit groepje is hoogst aangrijpend.

Ik heb Andrè Schuen nog nooit live gehoord (wat hopelijk bij mijn volgende Schubertiade-bezoek zal gebeuren) en weet dus niet of hij dit ook allemaal live kan doen. Hoe dan ook, het is een Schubert-CD waarvan het beluisteren me intens gelukkig maakt... ondanks de soms donkere thematiek.

Publicatie: maandag 6 augustus 2018 @ 19:05
Rubriek: CD's