Il Grand' Inquisitor

Thomas Oliemans in Zeist

Met Joseph von Eichendorff als de festivaldichter is het onvermijdelijk dat we op een bepaald moment Schumanns Eichendorff-Liederkreis te horen zouden krijgen. Vandaag was dat het geval met de Nederlandse bariton Thomas Oliemans en de immer geniale Malcolm Martineau aan de piano.

illustratie
(foto © Marco Borggreve)

Maar we begonnen in 1850 - de periode dat Schumanns geestelijke vermogens achteruit begonnen te gaan - met twee contrasterende opera. Eerst voerden ze de onbekende Sechs Gesänge von Wilfried von der Neun (Opus 89) uit, gevolgd door de veel bekendere Lenau-Lieder (Opus 90). Van de Neun-liederen bleef niet veel hangen, al heeft Heimliches Verschwinden wel "iets". De uitzondering was het slotlied Röselein, Röselein! dat een groot contrast vormt met het onstuimige Ins Freie dat er net voor komt. Oliemans zoekt én vindt de nodige lichtheid, terwijl Martineau een onkarakteristieke Schumann-pianopartij speelde.

Om eerlijk te zijn, had ik geen al te hoge verwachtingen bij dit recital. Toen Oliemans twee jaar geleden een Schubert- en Wolf-recital zong in deSingel kon hij mij niet overtuigen. Maar in dit Schumann-recital overtreft hij zichzelf. Het zou natuurlijk ook deels aan de superieure Martineau kunnen liggen die elke zanger eigenhandig naar een hoger niveau stuwt.

Hoe dan ook, de uitvoering van de Lenau-Lieder bevatten een paar pareltjes die me tot tranen toe konden ontroeren. Het begon al met een verbluffende Lied eines Schmiedes. Aanvankelijk wordt er lustig op het aambeeld geslagen, maar dat fortissimo is slechts de start van één groot decrescendo tot een piano-slot... tot in de perfectie uitgevoerd door beide artiesten. Meine Rose behoort tot mijn favoriete Schumann-liederen en hierin exploreerde Oliemans alle aspecten van het piano. Het Requiem was een aangrijpend slot.

Na de pauze gingen ze op dit elan voort met een (h)eerlijke, consequente Eichendorff-Liederkreis. In In der Fremde was het weer Martineau die opviel toen hij - "Vater und Mutter sind lange tot" - een doodsklokje in zijn piano vond. Oliemans zong daarna een stralende "wunderselige Bildnis" in Intermezzo en vond zowel een andere klank als een ander timbre om de Lorelei van Waldesgespräch uit te drukken. Pianist en zanger probeerden elkaar de loef af te steken in subtiele toonvorming in Die Stille, die logischerwijze uitmondde in een adembenemend mooie Mondnacht. In een mooi gedragen Auf einer Burg geeft hij dan weer iets meer vocaal gewicht aan de versteende ridder. Er was wel een kleine hapering op het einde van Zwielicht met een wat rauwe "Hüte dich, sei wach und munter". De cyclus werd uiteraard gevolgd door een typisch Hollandse subito staande ovatie. Dat belemmert wel het bisnummerdeel van de avond, waardoor het beperkt bleef tot twee Schumann-toegiften: Schöne Wiege meiner Leiden en Sitz' ich allein.

Publicatie: donderdag 24 mei 2018 @ 22:56
Rubriek: Liedrecital