Il Grand' Inquisitor

Margherita d'Anjou - David Parry

Voor Giacomo Meyerbeer naar Parijs trok om daar het "grand opera"-genre uit te vinden, vertoefde hij een aantal jaren in Italië en schreef daar een zestal Italiaanse opera's. De voorlaatste in die reeks was de 'melodramma semiseria' Margherita d'Anjou, die in 1820 het seizoen van La Scala afsloot.

illustratieIn 1820 was Rossini nog heer en meester in Italië - zijn "Bianca e Falliero" opende trouwens dat Scalaseizoen - en dat is ook te merken aan Meyerbeers opera. De ouverture zou zo uit een of andere Rossini-opera kunnen komen en het eerste bedrijf eindigt net niet met een Rossiniaanse verwarringsscène (die scène is op zich wel redelijk belachelijk). Maar er is ook al Donizetti te horen en vormelijk wijkt hij ook regelmatig af van de conventies. Er zijn verrassend weinig "nummers", maar des te meer ensembles en koorscènes met een of meerdere solisten. Een van de beste stukken is bijvoorbeeld het terzet van de drie bassen (!) dat het slot van de opera inzet.

De opname die Opera Rara onlangs uitgebracht heeft, heeft op papier een behoorlijk indrukwekkende bezetting. Maar het resultaat is niet helemaal wat ik ervan verwacht had. De zangers zingen allemaal minstens aanvaardbaar goed... maar toch mist de uitvoering spanning en voldoende stuwing. Ligt het aan de dirigent David Parry, die er niet altijd in slaagt om de spanning op te bouwen over een volledige scene ? Ligt het aan het koor, waar soms een wollige en onduidelijke waas over hangt ? Ligt het aan het werk zelf ?

De hoofdrol wordt mooi gezongen door Annick Massis met een egale, homogene stem... maar zonder veel emotie. De paar keer dat ik Bruce Ford de laatste jaren live gehoord heb, waren niet de meest memorabele momenten. Maar in de gecontroleerde omgeving van een opnamestudio lukt het allemaal nog redelijk. Lavarennes aria uit het tweede is zijn beste prestatie, zonder het "typische" Rossinitenorgeblaat dat in het eerste bedrijf af en toe te horen is. Daniela Barcellona zingt Isaura, de vrouw van Lavarenne, met een ronde, zwaar fluwelen stem. Ik vraag me af of een lichter gekleurde mezzo niet beter bij de rol zou passen. Ze mag wel de opera afsluiten met haar aria "Mio pianto rasciuglia ... Ah! sposo adorabile", die verdacht veel parallellen vertoont met het slot van Rossini's La Cenerentola. Het is ook een van de weinige scènes die voldoende spankracht heeft en daardoor een van de hoogtepunten van de opname is. Alastair Miles zingt de in alle richtingen overlopende generaal Carlo en levert samen met Barcellona de beste zangprestatie.

De rol van Michele zorgt voor het buffo-aspect van de opera. Hij is een soort factotum die wat weg heeft Dulcamara. Maar hij vertoont ook trekken van Alidoro, als hij een soort beschermeling is voor Isaura. De interventies die Fabio Previati als Michele maakt, zorgen altijd voor een glimlach. Zijn duet met Isaura in het eerste bedrijf is een typisch voorbeeld. Enerzijds is Isaura de wanhoop nabij omdat ze - terecht - denkt dat haar man haar verlaten heeft voor de koningin. Maar tegelijkertijd probeert Michele dat in schitterende 'patter'-stijl te relativeren.

Zoals gewoonlijk is de documentatie die Opera Rara meelevert weer topkwaliteit.

Publicatie: dinsdag 3 augustus 2004 @ 21:44
Rubriek: CD's