Il Grand' Inquisitor

Véronique Gens in Parijs

Wie eind vorig seizoen in de Munt was, herinnert zich ongetwijfeld het briljante recital van Véronique Gens en Susan Manoff. Gisteren lieten ze het Auditorium van het Musée d'Orsay vollopen voor het tweede recital in de cyclus "Drôles de dames", na dat van Hermine Haselböck twee dagen eerder.

illustratieIn deze cyclus worden de avondrecitals voorafgegaan door een korte toelichting. Gisteren sprak Richard Martet, de hoofdredacteur Opéra Magazine, over "Mozart et ses muses"... en dan vooral over Aloysia Weber en onder andere de beruchte concertaria Popoli di Tessaglia met zijn stratosferisch hoge sollen die Mozart schreef voor zijn 19-jarige pupil.

Na een dergelijke inleiding mocht Mozart uiteraard niet op het programma ontbreken, al was het zeer beperkt met slechts drie nummers. An Chloe was het enige Duits dat Gens zong, haar Duits is bijna even goed als haar Frans. Daarna kwamen Dans un bois solitaire en Voi che sapete. Als je dat ziet in het programma, dan denk je: "Ha, twee leuke en bekende melodieën om het eerste deel voor de pauze af te sluiten". Maar bij Véronique Gens is er niets zomaar leuk.

In Dans un bois solitaire wordt een geliefde getroffen door een pijl van Cupido, die hem opdraagt om zich weer aan de voeten van Sylvie te werpen. Een monkellachje lijkt nooit ver weg, maar Véronique Gens bouwt het lied systematisch op waardoor het een grootse aria van Gluck lijkt te worden. Hetzelfde doet ze met Voi che sapete. Vaak horen we een Cherubino met een broek vol goesting. Gens legde echter meer de nadruk op de Herzschmerz van de wanhopig verliefde page. Twee definiërende vertolkingen waardoor ik nooit meer op dezelfde manier naar deze liederen zal luisteren.

Het recital was in dezelfde sfeer begonnen met Haydn. Zijn Londense Canzonettas doken een paar jaar geleden overal op, zowel in recitals als op CD. Die rage lijkt nu even over te zijn. Maar liederen als The mermaid's song of het aangrijpende She never told her love blijven geniaal in hun eenvoud. Véronique Gens bleef hier wel nog enigszins op de achtergrond, misschien omdat ze voor deze liederen nog iets teveel aan haar partituur gekluisterd bleef.

Na de pauze werd de 18de eeuw ingeruild voor de Parijse salons van de Belle Epoque met Ernest Chausson en Reynaldo Hahn. Chausson horen we niet zo heel vaak in een recital, maar zijn Sept mélodies (opus 2) bevat zijn minst onbekende liederen. Een hoogtepunt was de immens ontroerende vertolking van La dernière feuille. Het is me wel een raadsel waarom ze maar zes liederen zongen en het bekendste lied - Le colibri - achterwege lieten. In het Hahn-blok stonden drie liederen - Lydé, Tyndaris en Pholoé - uit zijn Etudes latines centraal. Maar toen lag ik al in puin na een hartverscheurende Trois jours de vendange en een hemelse A Chloris.

Voor de bisnummers schakelden ze over naar Poulenc. In het hilarische Nous voulons une petite soeur toonde Gens haar perfect gevoel voor timing. Les chemins de l'amour was de perfect afsluiter om te blijven neuriën terwijl je op de métro staat te wachten...

Publicatie: vrijdag 27 maart 2015 @ 8:40
Rubriek: Liedrecital