Il Grand' Inquisitor

Blauwbaards Burcht en Winterreise in Antwerpen

We zijn amper mei en de Vlaamse Opera is in Antwerpen al aan haar laatste productie van het seizoen toe met een tweeluik bestaande uit Bartoks eenakter Blauwbaards Burcht en Schuberts liedcyclus Winterreise. Die combinatie klinkt raar en is het ook... de voorstelling is op alle vlakken zeer onevenwichtig.

illustratie
foto's © Annemie Augustijns

De regisseur Kornél Mundruczó probeert de twee werken in één raamwerk te passen door Blauwbaard en de Winterreise-Wanderer als dezelfde persoon te zien, met name de Hongaarse acteur Bela Lugosi.

De voorstelling begint ongeveer een kwartier voor het voorziene uur. Het doek is al open en we zien een grote kamer in een kasteel - best wel een mooi decor van Marton Agh. Alle meubels zijn afgedekt met lakens, behalve één zetel waar de stervende Blauwbaard/Lugosi aan een baxter hangt terwijl hij naar zijn vertolking in de film Dracula kijkt... geprojecteerd op de achterwand boven een knetterend haardvuur. Op een bepaald moment trekt hij zijn infuus los, doet zijn Dracula-cape aan en sterft. Het doek gaat dicht en de opera begint.

Wat volgt, zou je dan als een flashback kunnen beschouwen van zijn leven en dan vooral het moment dat hij zijn vierde vrouw Judith binnenhaalt in zijn burcht. Judith lijkt een straathoertje te zijn dat na vijf minuten enkel nog gekleed is in haar slipje en bh. Gedurende de voorstelling wordt het Dracula-thema niet meer gebruikt, behalve op het einde als Blauwbaard zich op Judiths keel stort en haar doodt.

Heel die lange inleiding vooraf is, wat mij betreft, totaal overbodig en brengt niets wezenlijks bij. De enscenering is sterk genoeg op zich, waarbij het openen van de deuren telkens overeenkomt met een verder openbreken van de burcht. Ook de twee solisten zijn zeer goed. Stefan Kocan zingt Blauwbaard met zijn grote bas. Ook Asmik Grigorian heeft veel Slavisch metaal in haar stem en wordt als Judith nooit overwelmd door het orkest.

illustratie

Anders is het gesteld met Winterreise. Mundruczó trekt een parallel tussen de Wanderer/Bela en "de migrant", wat niet zo gek ver gezocht is. Maar hij wil vooral dat migrantenthema behandelen en misbruikt daarvoor Schuberts geniale liedcyclus. Na "Gute Nacht" - wat net iets te snel uitgevoerd werd naar mijn smaak - volgt niet "Die Wetterfahne", maar een lachwekkende dialoog tussen de Wanderer en een wachter aan de poort van het immigratiebureau.

Een half dozijn andere liederen worden zo ook weggeknipt. Als een regisseur niets beters kan doen dan een meesterwerk verminken, dan zou hij daar gewoon beter vanaf blijven.

Daarenboven wordt er ook nog eens zeer zwak gezongen. Toby Girling zingt voor de eerste keer Winterreise en benadert het als een operarol. Tekstinterpretatie is volledig onbestaande. Enkel in "Der Lindenbaum" en "Der Leiermann" was er even een zweem van een liedzanger die een vaag idee heeft dat hij wist waar hij mee bezig was. Toegegeven, het is een ondankbare taak om een gecastreerde Winterreise te moeten zingen als die dan ook nog eens om de tien minuten onderbroken wordt door onnoloze interventies... tot en met een groepje schoolkinderen die een kat verdrinken en dan Fabre-gewijs het kattenlijk door de lucht begint te gooien.

Severin von Eckardstein speelde op een 19de-eeuwse Steinway en deed dat meer dan behoorlijk. Maar het tweede deel van de avond is gewoon niet te redden, zelfs niet door een klasse-pianist.

Publicatie: donderdag 1 mei 2014 @ 21:33
Rubriek: Opera