Il Grand' Inquisitor

Don Giovanni in Parijs

Regisseur Stéphane Braunschweig heeft tijdens het intendantschap van Foccroule een paar producties gedaan in de Munt. Bij het zien van Don Giovanni in het Théâtre des Champs-Elysées, moest ik denken aan zijn donkere en macabere Brusselse Rigoletto.

illustratie

Ook hier krijgen we een donker scènebeeld met overwegend zwarte kleuren, met hier en daar wat wit. Maskers worden doodskoppen, in nissen van Don Giovanni's kasteel staan opgezette beelden - andere slachtoffers van Don Giovanni ? - en de voorstelling begint in een crematorium...

Don Giovanni ligt op een tafel, klaar om in de oven geschoven te worden. Leporello staat erbij, wanhopig met de handen in het haar. Maar Don Giovanni springt van de tafel alsof hij spot met de dood. De vereenzelviging van de Don en Leporello wordt een constante in deze productie. Er zijn natuurlijk de voorziene persoonsverwisselingen van het libretto, maar Braunschweig creëert de illusie dat het over één en dezelfde persoon gaat. Meest tekenend is de Cataloogaria... Leporello zingt die alsof hij zelf al die veroveringen meegemaakt heeft.

Dat crematorium is slechts één kamer van een efficiënt decor. Vier muren zijn bevestigd aan een centrale as die regelmatig ronddraait om zo met elk kwadrant een andere kamer te tonen: uiteraard ook een kamer met een bed of een ruimere kamer die als buitenruimte of Don Giovanni's feestzaal kan dienen. De kostuums zijn hedendaags, behalve voor de feestscène waar iedereen 17de eeuwse kostuums draagt... met uitzondering van Leporello, die buiten de actie lijkt te staan.

Jérémie Rhorer dirigeerde een mat eerste deel, pas na de pauze kwam er iets meer schwung uit de orkestbak. De bezetting varieerde van middelmatig tot goed. Markus Werba was een matige Don Giovanni. Zijn bariton is mooi, hij acteert goed en heeft de "looks" voor een Don Giovanni. Maar hij mist het charisma om een overtuigende Don te zijn. Robert Gleadow is een goede Leporello, maar zijn stem sloeg een paar keer over tijdens de Cataloogaria. Dat werd a posteriori opgelost door voor het tweede deel een aankondiging te doen.

Nog zo'n heerlijk mooie stem is die van de Zweedse sopraan Miah Persson. Het probleem is dat ze amper Zerlina ontgroeid is. Ik heb toch liever wat meer beet in een stem voor Donna Elvira, alhoewel ze goed de Mozartstijl beheerst. "Mi tradi" was aanvaardbaar, maar "Ah, chi mi dice mai" ontbrak aan slagkracht. Dat was des te opvallender met de keuze van een mezzo-Zerlina, waardoor Zerlina een stuk rijper klinkt dan Donna Elvira. Serena Malfi heeft een grote stem, en zingt een opvallend zelfbewuste Zerlina.

Bij het adellijk koppel valt vooral de Don Ottavio van Daniel Behle op. "Il mio tesoro" was indrukwekkend. Maar het was vooral met "Dalla sua pace" - dat hij met een onaards mezza voce zong - dat hij de zaal muisstil kreeg. Sophie Marin-Degor is een middelmatige Donna Anna, ze heeft het nodige gewicht voor de rol maar niet helemaal de stem. Een kleurloze hoogte maken de slotcoloraturen van "Non mi dir" moeizaam, de noodzakelijke triller is afwezig.

Publicatie: maandag 6 mei 2013 @ 9:32
Rubriek: Opera