Il Grand' Inquisitor

Pelléas et Mélisande in Parijs

Waarom zou je nog regisseurs nodig hebben ? Ze zijn totaal overbodig als je - zoals het Théâtre des Champs-Elysées dit weekend - een wereldbezetting verzamelt met zangers die hun partij volledig beheersen. Die opera was een concertante Pelléas et Mélisande. Voor de fantasie moest het publiek zelf zorgen.

illustratie

Simon Keenlyside was dé Pelléas van de laatste decennia. Hij heeft al een paar keer afscheid genomen van de rol en iedereen verwacht dat hij zich ooit aan Golaud gaat wagen. Maar in Parijs was hij weer van de partij. Zoals ik al eerder geschreven heb, vind ik Pelléas niet meteen de meest boeiende rol in deze opera, maar als Keenlyside Pelléas zingt, dan krijg je het gevoel dat er toch vanalles gebeurt dat ontbreekt bij andere zangers. Het was dan wel een concertante opvoering, maar je kan de acteur en de vereenzelviging met de rol niet uit Keenlyside halen. Dat blijkt uit de intensiteit van zijn ondergrondse scène met Golaud, of de manier waarop hij wegloopt als hij "La verité, la verité..." zingt als Mélisande vraagt hoe ze het verlies van haar ring aan Golaud moet vertellen.

Sinds José Van Dam met pensioen is, is Laurent Naouri dé Golaud van het moment. Hij bouwt de rol van in het begin consequent op als één grote waanzinscène. Want dat Golaud waanzinnig is, is wel duidelijk. Als hij tijdens een teder moment tegen Mélisande "Oh! ces petites mains que je pourrais écraser comme des fleurs..." zegt, moet je wel concluderen dat er ergens iets loos is in zijn bovenkamer. Aanvankelijk is hij nog teder en beschermend tegenover Mélisande. Maar zijn houding blijft geruime tijd hetzelfde tegenover haar, neerbuigend is nog de beste omschrijving. Ze is zijn kindvrouwtje en hij behandelt haar ook zo, als een kind. Maar de klik komt bij Naouri bij het verlies van de ring, net na die opmerking dat hij haar handjes als bloemen zou kunnen vermorzelen. De ingehouden woede waarmee hij Pelléas en Mélisande "Vous êtes des enfants" in het gezicht slingert, geeft kippenvel. Uiteindelijk stort hij in na Mélisandes dood en blijft gebroken over. Een waarlijk fenomenale vertolking van begin tot einde.

Natalie Dessay is nog niet zo gepokt en gemazeld als haar twee mannelijke collega's. Ze heeft Mélisande een paar jaar geleden in Wenen voor de eerste keer scenisch gezongen. Ik vond haar vertolking toen nog wat eendimensionaal; ze zou er op termijn nog veel meer uit kunnen halen. Dat is ondertussen gebeurd. Mélisande wordt de laatste tijd nogal gemakkelijk aan mezzo's gegeven. Maar een lichte stem als die van Dessay, waarmee ze in de voetstappen van Mary Garden of Irène Joachim treedt, heeft als voordeel dat dat kinderlijke meer naar buiten komt. Maar daar houdt het niet bij op. In de eerste scène kan ze ook de terreur weergeven die haar achtervolgt, ze flirt subtiel met Pelléas en haar "Je t'aime aussi" is resoluut maar ook bescheiden. Heel haar vertolking is doorweven met dit soort kleine details die haar Mélisande groots maken.

Voor Geneviève is Marie-Nicole Lemieux bijna 'incontournable' geworden. Ze heeft eigenlijk enkel een briefscène te zingen, maar doet dat briljant. Als ze tot slot de zin "Mais j'ai peur d'Arkel, ..." leest, gooit ze met haar ogen en stem een bliksem naar Arkel. Met Alain Vernhes hadden we ook een uitstekende Arkel. Bij momenten vond ik hem soms wat monochroom, maar je zou kunnen zeggen dat dat past bij een oude blinde koning.

Tenslotte was er de dirigent Louis Langrée die het Orchestre de Paris in goede banen leidde. Hij geeft stuwkracht aan de partituur, houdt terug waar nodig en laat de teugels vieren waar het kan. Schitterend was bijvoorbeeld hoe hij de Golaud-Yniold-scène opbouwde. Van in het begin voel je dat er iets belangrijks staat te gebeuren aan de manier waarop hij langzaam maar zeker de spanning opbouwt.

Publicatie: maandag 18 april 2011 @ 15:46
Rubriek: Opera